Zandleven was een "figuur". Van den beginne af aan heeft zijn werk een eigen karakter
gehad; maar ook de mensch zelf boeide. Van-zelf beheerschte hij zijn omgeving. Hij
had een eigen "sfeer".
Een hartstochtelijk schilder was hij, wiens leven volkomen opging in de overgave
aan zijn kunst. Zonder deze ééne uitingsmogelijkheid zou hij moreel gestikt zijn.
De zware moeiten van zijn leven sublimeerde hij in den droom der schoonheid.
Hij was bezeten door den daemon van zijn scheppinsdrang.
Toch behoorde Zandleven niet tot de schilders, voor wie slechts de schilderkunst
bestaansrecht heeft. Hij was een denkend mensch en had wijde belangstellingen. Hij
las veel (tot zelfs droge geschiedenisboeken toe.) Hij had een groote, origineele
liefde voor poëzie. ('t Was een genot hem met zijn diepe en gevoelige stem verzen
te hooren lezen). Hij was buitengewoon muzikaal. Het meest opvallend wellicht was
zijn felle belangstelling voor religieuze problemen. Vele theologen hadden aan hem
een kwaden rechter! De oude mystieken (Ruusbroeck!) las hij met voorliefde. Hij
kon vurig over het Christendom filosofeeren...
Maar al zijn belangstellingen stroomden tenslotte samen tot die eene, al-beheerschende
liefde: zijn kunst. Een groot karakter, een diepe natuur, een zeer nobele, ruime
en oprechte geest, - zoo was hij steeds voor allen, die hem van nabij kenden. Geen
hunner zal den warmen klank van zijn stem, zijn breed gebaar, zijn trouw, zijn rechtstreeksche
en markante uitspraken vergeten, noch den indruk, die zijn verschijning maakte.
Zijn kop wekte vagelijk herinneringen aan Verlaine. Vooral prachtig in dien kop
was de fonkelende kracht van zijn diepe oogen onder de zware wenkbrauwen.
De grond-trek van zijn karakter was die innerlijke voornaamheid, waaraan hij zijn
ongezochte autoriteit dankte. Ieder erkende en aanvaardde deze autoriteit. Met halfslachtige
of bedelachtige naturen kon hij niet omgaan. En hij háátte de banaliteit; hij haatte
haar in elken vorm, op elk gebied.
Zandleven is in 1868 te Koog a.d. Zaan geboren. In 1895 trouwde hij. Hoewel hij
in de zaak van zijn vader werkte, schilderde hij toen reeds. In de vacanties, vergezeld
van zijn jeugd-vriend Carbaat, trok hij er op uit. In 1901 waagde hij den sprong
in 't duister en ving zijn eigenlijke kunstenaarsleven aan. Een leermeester heeft
hij nooit gehad. Hij woonde toen (sinds 1897) in Beverwijk. In 1903 vertrok hij
naar Gorssel; in 1908 naar Hengelo (Gld.), waar zijn kunst zich sterk ontplooide.
De jaren van zwaarsten materieelen nood waren toen doorleden. In 1912 bouwde hij
zich een eigen huis, in 't bosch bij Putten. Sedert April 1918 bewoonde hij het
bescheidener, oude huis in de Hoofdstraat te Rhenen. Een vrij kleine en vrij donkere
achterkamer vormde er zijn atelier. Men was daar gaarne. Er stond een groot orgel.
Hij omringde zich met antikiteiten, waarvoor hij een fijn oog had. In 1923, na een
zware, dapper doorstreden ziekte, stierf hij, betrekkelijk nog plotseling.
Zijn kunst heeft een sterk lyrisch karakter. Het is vooral de glorie, de kracht
der kleur, die treft. Het impressionisme der oude Hagenaars kreeg bij hem een verdiept
en verhevigd accent. In sterke spanning schilderde hij - vlaagsgewijze - kleine
studies, onmiddelijk naar de natuur. Zijn lyrische geest stelde hem in staat deze
directe natuur-studies 't karakter te geven eener complete visie.
Er is iets dieps, een innerlijke bezonkenheid, zelfs in zijn meest spontane uitingen.
De kleur wordt er door een stralende lichtkracht verheerlijkt. Er is in zijn werk
een element, waardoor het boven het louter visueele uitkomt.
Het meest ging zijn liefde uit naar de vurige schoonheid der bloemen en naar de
boomen, de zon-doorstraalde bosschen van zijn geliefde Gelderland. Weinigen hebben
als hij de Geldersche sfeer zoo romantisch en zoo dichterlijk verbeeld.
Zijn techniek - die zijn eigen bezit was - is in overeenstemming met 't zware, het
broeiend-vurige van zijn geest: het was een wriemelige techniek, die toch ruim bleef.
Teekenend toetste hij. De contouren zijn met zwarte streepjes aangeduid: een zwart,
dat verteerd wordt in 't vuur der kleuren.
Het meest overtuigend is het mijmerend karakter van zijn kunst tot uiting komend
in werken, welke langzaam, in stage beheersching, ontstonden. Want deze driftige
schilder kende de tucht en kon weken achtereen, in gespannen concentratie, zich
overgeven aan de uitbeelding van die eenvoudige stillevens, welke een edele getuigenis
blijven van zijn geestelijke voornaamheid.
* * *
Moge deze tentoonstelling velen een vreugde zijn. Zandleven heeft steeds de ruchtbaarheid
geschuwd. Hij verlangde slechts met rust gelaten te worden om te werken. Deze fiere
bescheidenheid heeft hem veler liefde bezorgd, maar is ook de oorzaak geworden van
een betrekkelijke miskenning. Hij was noch een Verster, noch een Breitner; en hij
wist het. Maar hij was een zeldzaam zuiver kunstenaar, een onaanrandbare persoonlijkheid,
een geïnspireerd hart: en ook dit wist hij. De wereld echter heeft 't niet voldoende
erkend. Het is niet 't minst daarom, dat de inrichters dezer tentoonstelling het
als hun plicht voelden, zijn nagedachtenis in 't openbaar te eeren.