J. A. ZANDLEVEN,
DOOR Mr. J. SLAGTER.
Op een zonnigen lente-morgen zocht ik in Rhenen de woning van den schilder
Zandleven. Het was Zondag, onder kerktijd; in de lange straat van het
rustige stadje, dat wat sufferig ligt aan den voet van den geweldigen
Cunera-toren, was het heel stil. Eindelijk zag ik een mensch loopen en
ik vroeg hem: weet u hier ook meneer Zandleven te wonen?
-- Nooit van gehoord, zei deze mensch.
-- Het is een schilder.
-- Een schildersbaas of een schildersknecht?
-- 't Is een kunstschilder.
-- 'n Kunstschilder?
De mensch keek mij wat argwanend aan : wie vraagt er nu naar een kunst-schilder?
Dat zijn zulke rare kerels
Maar na even te hebben nagedacht,
hernam de mensch : ik geloof, dat er daár een woont, een kunstschilder,
dat huis met die hooge stoep."
Ik ging naar het huis, dat een hooge stoep had, een heel gewoon oud huis;
naast de deur twee hooge smalle ramen met aspedistra's voor de vensters,
niets artistiekerigs van buiten.
En daar woonde hij.
In het kleine, kleine stadje Rhenen zijn er velen, die niet weten, dat
sinds eenige jaren Zandleven daar werkt en dit voorvalletje is als een
symbool: het is niet gemakkelijk, waardeering te vinden, wanneer men het
publiek niet naloopt, het niet vleit, aan zijn wenschen niet tegemoet
komt.
Zandleven leeft in de afzondering, buiten de vriendjes-coterieën in de
kunst en hij werkt, zooals hij het goed vindt, zonder richting",
zonder etiquet. In Arti" werd zijn werk herhaaldlijk geweigerd
: ach ja, het is op het eerste gezicht niet altijd treffend, men moet
het geduldig bezien en dat schijnt een bezwaar te zijn
In dat rustige huis in Rhenen leeft hij met zijn vrouw ver van
de menschen" en ze zien met philosophische berusting, hoe de wereld
zich in -ismen verdeelt
* * *
De schilder J. A. Zandleven werd in 1868 te Koog a/d Zaan geboren. Tegen
wil en dank moest hij bij zijn vader in de zaak. De handel trok hem niets
aan. Reeds als jongen voelde hij den sterken drang om schilder te worden
en alleen voor de kunst te leven. Van kind af had hij buitengewoon veel
liefde voor de natuur en gebruikte al zijn vrijen tijd, én gestolen tijd,
om te teekenen en te schilderen. De drang om schilder te worden werd eindelijk
zoo groot, dat het tot een uitbarsting kwam : de vader wilde van zijn
zoon geen schilder maken en de zoon stond daartegenover met een even sterken
wil : hij brak met alles en volgde zijn roeping. Toen kwam een zware tijd,
vol kommer bijwijlen. Maar reeds was het sterkend woord van een paar ouderen
in de kunst den jongen zoeker een steun. In 1901 ging Zandleven met zijn
werk naar Jozef Israëls, die hem raadde door te gaan, mits hij hard studeerde.
Tegelijk gaf Israëls hem een briefje mee voor Gabriël. Deze, die oók den
moeilijken strijd om er te komen had gekend, zei : als je alles wilt opofferen,
om je doel te bereiken, en als je je bewust bent, dat er een heel zware
weg is af te leggen, ga dán door.
Het volgende jaar, in 1902, ging Zandleven met veel moeite uit de zaken
van zijn vader en ging werken in de duinen bij Wijk aan Zee. En hij werkte
ontzettend, van 's morgens tot 's avonds laat. Midden in den winter
buiten, is morgens half acht zat ik al in de duinen tot donker, soms in
nijpende kou en sneeuw," zoo vertelt Zandleven. Met donker thuis
en dikwijls de boterham nog in den zak, vergeten hem op te eten of geen
tijd gegund. Meestal maakte ik twee of drie studies op één dag en dan
's avonds nog modelteekenen bij de lamp."
Zoo leefde hij een paar jaren buiten en kon er door zeer sober te leven
en de hulp van enkele vrienden komen. Het is een tijd, waaraan hij nog
altijd met buitengewoon gelukkige herinneringen denkt. En de man, die
ook nu nog niet schilderijtjes" kan maken, zooals een groot
deel van het publiek dat verlangt, die ook nu nog zijn eigen weg gaat
en zich aan geen opgelegde wetten of mode stoort,wist ook toen niet den
openbaren smaak te bevredigen.
In dien tijd, dat hij in Wijk aan Zee werkte, kwam hij in aanraking met
den schrijver Querido, wien het religieuse sentiment in Zandleven aantrok.
Door bemiddeling van Querido dook een kunsthandelaartje uit Amsterdam
op, die de opdracht gaf eens 'n paar schilderijtjes" te maken.
Toen Zandleven wat klaar had en het liet zien, verklaarde deze Amster-dammer,
dat het geen schilderijtjes" waren, waarop Zandleven antwoord-de:
nou, dan kan ik geen schilderijtjes maken." Hij kan het nóg
niet. Ge-lukkig!
Van Wijk aan Zee trok hij naar Gorssel met zijn vrouw. De bosschen met
hun rijke geheimzinnigheid begonnen macht over hem uit te oefenen. Voor
wie Zandleven kent, spreekt dit vanzelf. Zijn naar het mystieke geneigde
aard, zijn eerbied voor het ondoorgrondelijke, schoone Wonder, dat de
natuur is, vinden hun weerspiegeling in het stille bosch met zijn geheimzinnig
weefwerk van lichtspelingen en zijn wonderbaarlijken grond van mossen
en bladeren, in het bosch, waar dat meest mysterieuse, de paddenstoel,
is als de verschijning uit een droomenland.
Hij woonde daar in Gorssel in een klein boerenhuisje en werkte iederen
dag in het bosch, dat immers elk oogenblik nieuwe schoonheden openbaart
voor hem, die het geduld heeft ze te zien. En hij had die geduldige liefde,
die zich kan verdiepen ook in het oogenschijnlijk kleine, maar dat als
micro-cosmos toch weer een beeld der wereld is.Iederen morgen trok hij
zijn boschje in, een klein plekje, doch waar hij steeds nieuwe schoonheid
ontdekte. En daar kon hij, met gestadige toewijding, wel tien keer denzelfden
boom schil-deren, welke toch steeds onder den invloed der telkens andere
stemming en emotie anders van vorm werd. Wanneer er geld moest zijn om
het allernood-zakelijkste te koopen, ging hij met studies en teekeningen
den boer op.
Zoo had Zandleven zich langzamerhand gevormd in de harde school van het
zelf-aanpakken. Leiding had hij niet gehad. Hij deed zooals hij het goed
vond. Toch voelde hij, bij zijn rusteloos tasten naar het hooge doel,
wel een behoefte aan den toets van een onbevooroordeelde critiek.
Ver van de wereld, in zijn Geldersche bosschen, kende hij, naast de zekerheid
van den kunstenaar in diens sterke uren, den twijfel van den eerlijke,
die zonder ijdelheid tegenover zijn eigen werk staat. Hij hoorde van het
bestaan van H. P. Bremmer, die een scherp en rechtvaardig criticus moest
zijn en die ook met raad en daad jonge kunstenaars steunde. En aanstonds
kwam het verlangen bij hem op, Bremmer's oordeel te vragen. Met wat studies
onder den arm toog hij op een goeden dag naar Bremmer en vroeg, of deze
ze eens wilde zien. Aanvankelijk had Bremmer er geen zin in: er kwamen
zooveel en zoo zelden was er iets bij, dat de moeite waard was. En, zoo
zeide Bremmer als ik je werk niet goed vind, ga je immers tóch door,
als je je zelf kunstenaar weet, en dan is je eigen overtuiging immers
toch sterker dan de mijne." Zandleven hield echter vol. Bremmer gaf
toe, zág het werk en vond het zeer persoonlijk en goed, zelfs zoo, dat
hij er dadelijk van kocht. Men kan zich indenken, hoe Zandleven dit voelde
als een heerlijke belooning voor die zware jaren van heel-alleen-staan.
Er was dan toch iemand, wiens woord gezag had, die hem had begrepen en
zijn arbeid als kunst aanvaardde.
Een paar maanden later -- het was in 1904 -- kwam Bremmer in Gorssel
bij hem om al het werk te zien en van dien tijd af kocht Bremmer jarenlang,
tot Zandleven's naam voldoende gevestigd was, bij wijze van contract,
als dit dorre woord niet spot met den ruimen geest, waarin het werd aangegaan,
ongeveer alles wat deze maakte. Van 1904 af dagteekent ook de vriendschap
tusschen deze beide mannen. Aan deze relatie is het te danken, dat Zandleven
steeds door Bremmer's bemiddeling heeft kunnen studeeren -- ik citeer
hier uit een brief van Zandleven --zoo vrij en zoo mooi, als weinigen
dat zullen kunnen. Nooit werd gevraagd naar een schilderij of bepaald
onderwerp ; alles was goed, al wilde ik twintig maal dezelfde studie maken."
En nu zijn er gelukkig menschen genoeg, die zijn werk waardeeren ; in
den kunsthandel Gerbrands te Utrecht, die eveneens pioniers-werk voor
Zandleven deed, is het altijd te zien en de Rotterdamsche Kunstkring heeft
er, ook al weer met krachtige medewerking van den kunstzinnigen heer Gerbrands,
in haar zalen dit voorjaar een vrij volledig overzicht van gegeven.
Zandleven woont sinds enkele jaren in Rhenen en gaat des zomers nu hier,
dan daar schilderen. Veel heeft hij in Kootwijk gewerkt, het stille Veluwdorpje,
met het oude kerkje daar, de vriendelijke boerenerfjes en de woeste zandstuivingen.
De boerenerfjes. zooals Zandleven ze heeft gegeven, behooren tot het innigste
van zijn werk en zijn van een zeldzaam-teedere aanschouwing, die alles
doet vibreeren van zijn geestes-spanning. De zandstuivingen, barre, eenzame
natuur, zijn als een symbool van zijn eigen eenzame levenshouding.
Van zijn verblijf in Rhenen is geen schooner staal dan het gezicht op
den Cunera-toren, een werk van diepe doordringing en van grooten eerbied
voor dit onvolprezen meesterwerk der gothische bouwkunst.
* * *
Er zijn weinig schilders, die zich zoo gelijk blijven in hun oeuvre als
Zandleven. Werk van tien jaar geleden en van nu, er zijn geen treffend-groote
verschillen in ; er is alleen een groei van innigheid, een toeneming van
het vermogen om de ziel der dingen te vatten. De vorm, waarin alles wordt
gegeven, is dezelfde gebleven. Hoe komt dat? Is voor hem die vorm dan
niet belangrijk? Ik meen van niet. Vergelijken we zijn werk met dat van
b.v. Gestel, dan blijkt duidelijk het verschil.
Noch voor Gestel, noch voor Zandleven heeft de natuurlijke verschijning
der dingen op zichzelf waarde; voor beiden is deze slechts middel. Voor
Gestel is de uiterlijkheid slechts de eerste aanleiding voor een te zoeken
rhythme, waarnaar hij kleuren, lijnen, vormen afstemt, voor Zandleven
is de uiterlijkheid van elk ding het beeld der Eeuwigheid, iets met een
eigen ziel, iets, dat deel is van het Onzegbare, maar waarvan de uiterlijke
verschijning toch volkomen aanvaard wordt. Gestel is in zekeren zin een
Parnassien", hij is de man, die allereerst den vorm, het krachtig-geserreerde
rhythme zoekt (al ontbreekt het innerlijke geenszins); Zandleven een "symbolist",
die den band van de vormen niet kent, die allereerst opgaat in de ontroering
van de dingen, welke hij ziet, zooals deze hem teekenen zijn van iets
hoogers, symbolen dus. Voor Zandleven met zijn diep-godsdienstigen aard
zijn de dingen, wat ze voor den vromen pastor Guido Gezelle waren :
Wind en wee en wolken
Wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zoo zoet ......
als de Ziele luistert !
En hij beschrijft de dingen dan ook nauwkeurig en uitvoerig, want ze
zijn voor hem belangrijk. Aan den vorm, de compositie, hecht hij niet.
Het is geen rhythme, geen vorm-evenwicht, dat hij zoekt. Een critiek,
welke dit werk daarom zou veroordeelen, zou iets in dit werk zoeken. waar
het den schilder niet om te doen was.
Ik beleef -- zoo zegt Zandleven -- de werkelijkheid, het leven als een
Won-der en als ik in het meest gewone ding dàt niet beleven mag, ben ik
er uit. k aanvaard de werkelijkheid, maar zie achter haar verschijning
het Wezen, dat voor mij niets anders is dan het Wonder. Tegenover dit
Wonder sta ik met mijn Extaze. Wat ik schilder is eigenlijk...... mijzelf,
mijn zoeken en verlangen naar wat men kan noemen zuiverste harmonie of
God.
Het is niet altijd gemakkelijk, dit streven in het werk terug te vinden
en dus eenigszins na te voelen, wat Zandleven ontroerde ; het is mij soms
zelfs onmogelijk, juist o m d a t in al zijn werk de realiteit zoo nauwkeurig
is gegeven. Wanneer in een kunstwerk de realiteit opzettelijk wordt verlaten
- ik denk weer aan Gestel b.v. - treedt daarvoor iets anders in de plaats,
dat men dadelijk herkent als een deel van het gemoedsleven. Juist het
ondefinieerbare, dat een werk tot kunst verheft, is daar als het ware
gedeeltelijk zichtbaar geworden; men weet onmiddellijk, dat dit geen realiteit
is, maar geestesuiting. Nu kan natuurlijk de werkelijkheid zoo ver worden
verlaten (b.v. bij Mondriaan, of van der Leek) dat het voor de meesten
onmogelijk wordt de ontroering van den maker na te voelen en dus het ontstane
werk volledig te waardeeren. Maar het is eveneens mogelijk, dat de realiteit
zoo sterk is uitgedrukt, dat ons verscholen blijft, wat alleen de waarde
van een kunstwerk uitmaakt. Die realiteit werkt als een belemmering voor
de ontroering. Dit zijn dan de gewone dingen des levens, die ieder kan
zien en als men ze terugvindt in een schilderij, veroorzaken zij in onzen
geest onmiddellijk storende gedachten-associaties. Wij denken aan een
ander huisje, dat we kennen, aan een anderen boom, aan een bepaalde straat,
aan een rivierbocht, dáár-en-dáár, op een fietstocht gezien.
Zoo zal Zandleven het gemakkelijkst worden gewaardeerd, waar bij, werkende
onder een plotselinge emotie, in enkele uren iets opzette en daarbij minder
zorg besteedde aan de realiteitsuitbeelding. Ik denk b.v. aan een hartstochtelijk
met zware vegen geschilderde "Winter" (1918) en aan zijn bloeiende
boomen. waarvan hier een is gereproduceerd.
Maar in het andere werk moet men zich veel moeite geven om áchter de
realiteit te ontdekken, wat Zandleven noemt, het Wonder. Die moeite is
meestal niet tevergeefsch.
De schijnbaar koel geobserveerde,nuchter-gegeven werkelijkheid ver-andert
hoe langer men kijkt, in iets, dat als een droom is, dat bóven die wer-kelijkheid
uit is gekomen en men voelt iets terug van de hooge blijdschap van den
kunstenaar, die, in extaze over wat hij zag, zich daarmee vereenzelvigde.
En het is dan, of de dingen een ziel hebben gekregen en met een eigen
taal spreken. Ik denk b.v. aan het Kerk-interieur in Kootwijk (1920),
dat zoo heel precies is geschilderd. Het is interessant, eens hiernaast
een kerk van Bosboom te zetten: hoe nuchter lijkt Zandleven dan op het
eerste gezicht. Bosboom is een romanticus, die de kerk liefst beeldde
in een haast mystiek licht. Hij beminde de wijdsche bogen der oude kerken
en kon zich, in zijn extaze, zoo weinig indenken, dat menschen uit zijn
tijd onder die bogen zouden loopen, dat hij meestal een zeventiende-eeuwer
in rood-en-zwart, met breed geranden hoed tot stoffeering"
gebruikte. Het Kootwijksche kerkje mist die geweldigheid en ook die romantiek
; wij denken ons er in : boeren en dorpsche burgermenschen van heden.
Toch staat bij mij de visie van Zandleven niet achter bij die van Bosboom.
Bosboom is grootscher, Zandleven in dit werk inniger. En nu voel ik in
dit interieur, ondanks de nuchtere, natuurgetrouwe uitbeelding der werkelijkheid,
zoo sterk dat ándere, hoogere, dat men ziel kan noemen, of wat-dan-ook,
maar dat dit tot kunst verheft. Ik voel in dit kleine kerkje de intieme
getrouwheid van die oude banken, waarop iederen Zondag stille buitenmenschen
zitten te luisteren, in den preekstoel en de opzijgeschoven gordijnen
de strengheid en de beperktheid van het godsdienstig leven op dit kleine
dorp. En ik voel de menschen er zitten in hun ongemakkelijke, nette Zondagsche
kleeren, met hun godsdienstige overgave en starre overtuiging.
Iets dergelijks beleef ik aan het Kerkje in Kootwijk" (1920)
dat den buitenkant geeft: liet oude vierkante torentje, geleund tegen
den zijmuur der kerk, en een grasveldje er naast. Toen ik er lang tegenover
had gestaan, was het mij of ik de stilte van dat dorpshoekje hoorde."
Die Stilte, zij is een belangrijk element in haast al het werk van Zandleven.
Let eens op zijn landschappen, zijn huizen, schuren en erfjes : schier
altijd is de natuur er in rust. Geen bewogen luchten of wuivende boomen.
Dit is toevalligheid noch opzettelijkheid. Het is de getrouwe uiting van
den stillen mijmeraar, den zachtmoedigen mensch, die Zandleven is, van
den kunstenaar, voor wien het drukke bewegen van het leven geen belang
heeft, maar die uit alles het innige binnenst puurt. Let ook eens op zijn
groote stillevens : hoe stil het daar is. Dit is geen paradox, want er
zijn zoovele stillevens, die meer de onrust dan de stilte belichamen.
Minder rust is er in zijn bloemen-stillevens, want daarin wordt de fonkeling
der kleur gegeven, het sprookjes-achtig-fascineerende, het trillend-bewegende
dat de bloemenkleur vaak heeft. En dat maakt Zandleven's bloemen-stillevens
beweeglijker dan zijn andere werk. Zijn zij daarom beter? Mij staan sommige
zijner bloemstukken verder ; ik voel er niet altijd die innigheid in,
die diepe doordringing in de ziel der dingen, welke overigens bij Zandleven
zoo treffen.
Een andere eigenaardigheid is, dat hij nooit in zijn landschappen een
levend wezen zet. Ook dát suggereert de stilte. Maar tevens is het een
ver-heugend blijk, hoe hij het zoo bekende verlangen van het groote publiek
negeert, dat figuurtjes wil zien, een vrouwtje met een emmer, een mannetje
met een schop, een koe of een schaap, enfin, de beminnelijke aankleeding"
van het geval. Dat negeeren is ook al weer geheel onopzettelijk. want
het is niet anders dan een gevolg van zijn aard : voor hem leeft immers
ieder ding, dood of niet. Niets is dood en het is daarom onnoodig het
leven kunstmatig te suggereeren.
Men kan dan ook zeggen, dat hij op geen enkele manier door hulpmiddelen
zijn werk aantrekkelijk tracht te maken voor het publiek, noch door een
vlotte peinture, noch door aangename kleuren of prettige compositie.
* * *
In de onderwerpen, door Zandleven in den loop der jaren behandeld, is
een vrij groote verscheidenheid. De meeste vond hij buiten in de natuur.
Altijd is de natuur voor hem gebleven het prachtige wonder, het verheven
gedicht en in zijn extaze daarvoor heeft hij veel van zijn mooiste werken
gemaakt. In de bosschen vond hij de natuur het meest ongerept, doch ook
het wonderlijkste en het stilste. Voor hem, met zijn mystieke verlangens,
had het mysterie der bosschen grooter bekoring dan de open klaarheid der
pralende weiden. Hoe gaaf heeft hij dat mysterie, dat intense leven van
elken boom belichaamd! Men zie b.v. zijn Boomstammen (1913) : twee berkenstammen,
roomig-wit in den zonneschijn tegen den rossigen boschgrond. Wonderlijk-mooi
is zoo'n stuk berkenstam, maar voor ons krijgt het waarde door de alles-doordringende
ontroering van den kunstenaar, die dit beleefde.
Het spreekt vanzelf dat Zandleven onder de bekoring kwam van die meest
wonderlijke dingen : de paddenstoelen. Het was niet het zuiver-picturale
element, dat hem trof en dat b.v. bij Goedvriend's paddenstoelen meer
op den voorgrond treedt. Het wonderlijke, verborgen leven trok hem aan,
het schier-onwezenlijke, het grillige, sprookjesachtige van vorm en kleur,
de vreemde, bleeke en weeke materie van het paddenstoelen-lichaam. En
dit alles vinden wij in zijn paddenstoelen terug. Voor ons komt het er
op aan, of wij de ontroering van den kunstenaar in het werk voelen: hoe
krachtig komt die ontroering ons hier tegemoet. hoe meesterlijk is aan
dat onzegbaar-vreemde vorm gegeven.
Uit de laatste jaren dateeren verscheidene bloeiende vruchtboomen. Terwijl
Zandleven aan zijn stillevens vaak maanden-lang werkt,zijn die bloeiende
boomen ontstaan in de vreugde van enkele uren. Het is te zien ook aan
de manier van schilderen. Met fel-gesmeerde vegen en klodders maar
hoe raak! - zijn die boomen opgebouwd ; het landschap staat daaromheen,
met enkele breede penseel-streken aangegeven. Het behaagzieke, het poes-lieve,
dat maar al te vaak hindert in zooveel schilderijen met bloeiende boomen,
die langs de tentoonstellingswanden hangen, is hier volkomen afwezig.
Bij Zandleven is het niet allereerst de blijheid van de lente, die tot
beelding wordt gebracht, maar weer het groote, mooie wonder van den boom
uit welks naakte takken deze blanke pracht ontluikt en van de bloesems,
die wemelen en schitteren tegen de blauwe oneindigheid van de lucht. Het
is per slot van rekening het wonder van het ieder jaar ontluikende leven,
waartegenover de schilder staat met zijn eerbiedige verrukking.
Van Zandleven's weinige groote landschappen staat mij als heel gaaf bij
een golvend, pasomgeploegd land van rossige aarde met een paar eenzame
boomen achter elkaar en links in de verte een huisje. Hierin trof mij
diezelfde verrukking, dat opgaan in de natuur, al vind ik over het algemeen
deze land-schappen niet de meest persoonlijke uiting van hem. Een uitzondering
maak ik echter voor zijn Zandstuivingen, die van een eigen kijk getuigen.
Behalve het krachtige uitbeelden van het barre, woeste van zulk een landschap,
treft hierin de prachtige opbouw in kleur der achter en naast elkaar schuivende
zandvlakten met hun teere overgangen van kleur- en licht-wisselingen.
Dat voor iemand als Zandleven ook het intiem-levend schoon van huizen
en muurtjes spreekt, is begrijpelijk, en ook, dat hij niet het pittoreske"
zoekt, de uiterlijke aardigheid van huizen-gevalletjes, die verlevendigd
moeten worden door wat handig er in gezette figuur tj es, en evenmin het
romantische van oude bouwvallen. Het is hem te doen om de ziel van de
dingen. Zie b.v. het Poortje"(1920). Langs een ouden muur van
zware baksteen, restant uit vroeger eeuwen, door een oud, verweerd en
vergrauwd poortje zien we aan den overkant van een peuterig straatje het
raam van een klein burgerhuisje. Verdiept men zich geduldig hierin, dan
begint dit alles te spreken. Dan worden die zware baksteenen teekenen
van een ruimer royalen tijd, die verging en vergeten werd en het nette,
geestelooze raam van het burgerhuisje zegt mij dan, hoe daar een pieterig-netjes,
kleintjes-braaf burgergezin woont aan het stille straatje met ongemakkelijke
keien, waar men den weerklank van elk schaarsch geluid tegen de huizen
hoort vergaan. Als duidelijk en geestig staal van Zandlëven's waarnemen
is hier gereproduceerd het Muurtje te Kootwijk" (1920). Het
is niets dan muur, niets dan steenen naast elkaar met de geschiedenis
der eeuwen, de verschillende bogen, in den loop der tijden ontstaan en
weer dichtgemetseld. Elke steen is nauwkeurig geschilderd, het doek zou
als studiemateriaal kunnen dienen voor een kunsthistoricus, die deze kerk
eens wil bestudeeren. En toch is het méér en beter. Waarom? Ik kan het
niet onder woorden brengen, wáarom het mij als een kunstwerk aandoet.
Het kan zijn, dat het rhythme dezer steenen, dezer elkaar versnijdende
bogen, dat het gamma van zeer fijne kleurnuancen Zandleven ontroerde en
dat ik deze ontroering navoel. Is dit het geval, dan staat hij dichtbij
Mondriaan's visies van enkele jaren geleden, die ook op muren met steenen
geleken en die ook uitbeelding waren van een zeker rhythme, al was het
Mondriaan geenszins om het begrip muur" te doen.
Aan zijn stillevens werkt Zandleven zeer lang, maanden vaak ; het is
dan ook duidelijk te zien, hoe doorwerkt zij zijn. Toch werkt hij er nooit
aan, zonder er volkomen in" te zijn. Al zou men het afleiden
uit de met zooveel zorg weergegeven realiteit, toch is het hem om die
realiteit niet te doen, maar tracht hij weer te geven, hoe hij van elk
ding de eigen ziel, het eigen wezen voelt. Ik wil niet zeggen, dat dit
doel altijd wordt bereikt en dat ik altijd over de realiteit heen kan,
maar toch heeft Zandleven in zijn stillevens prachtige dingen gemaakt,
zeer gave uitbeeldingen,van dát, waarom een stilleven belangrijk is :
het leven der doode voorwerpen.
* * *
En nu rest ons de vraag ; wat is de beteekenis van den schilder Zandleven
voor onzen tijd, en voor de ontwikkeling der schilderkunst? Zandleven
is geen revolutionair, die een nieuw tijdvak der schilderkunst inluidt.
Hij is meer degene, die in het bestaande tijdvak op een eigen wijze uiting
geeft aan wat onzen tijd beweegt. Zijn verdienste is daarbij, dat hij
zoo volkomen eerlijk zijn eigen weg volgt, dat hij in dezen tijd van vormen-cultus
en geschilderde logica de eerlijke bleef, die zich geeft, zooals hij is,
een natuurkind, voor wien niets heerlijkers is dan die natuur te bezingen
en zijn eigen rijke gevoelsleven uit te storten in zijn werk, dat voor
ons belangrijk is, omdat het ons die verrukking doet navoelen.
Dat Zandleven over een groot technisch kunnen beschikt, blijkt duidelijk
uit zijn werk en ook in zijn techniek heeft hij iets eigens, dat hem dadelijk
doet herkennen.
Toen hij zijn eerste schildersjaren doorworstelde, maakte hij ter verpoozing
des avonds wel eens met krijt romantische teekeningen van sprookjesachtig
gebeuren, vaag-omlijnd, met geheimzinnige donkerten en klaarten. De neiging
naar het mystieke bleef hem bij, zij loopt als een fijne ader door al
zijn later werk.
Hoe deze vijftiger zich verder zal ontwikkelen? Ik weet het niet, maar
ik vertrouw, dat iemand, die werkt als hij, voor onze schilderkunst nog
veel zal bijdragen, dat ook voor later zijn waarde zal behouden.
|